In april is het de 30e editie van de National Poetry Month, die in april 1996 door de Academy of American Poets werd gelanceerd. Om dit te vieren zal het personeel van de Literary Hub één geweldig gedicht aanbevelen om elke (werk)dag van de maand te lezen. We beweren niet (behalve als we dat wel doen) dat deze gedichten de ‘beste’ gedichten in welke categorie dan ook zijn; het zijn gewoon gedichten waar we van houden. Het enige andere dat ze allemaal gemeen hebben, is dat ze gratis online te lezen zijn, zodat je er samen met ons van kunt genieten. Het internet is tenslotte nog steeds goed voor sommige dingen. Vandaag raden wij aan:
Robert Hayden’s ‘Die winterzondagen’
Ik heb op deze site al eerder geschreven over de stille, tedere elegie van Robert Hayden aan zijn pleegvader, een gedicht dat leest als de langzame uitademing van een te lang ingehouden adem. Hayden zelf had er spijt van dat hij de man nooit zijn bewondering en liefde had laten weten, of zelfs dat hij al die woordeloze daden van zorg had opgemerkt die de liefde van een ouder voor een kind omvatten (hoewel we ze zien als we jong zijn, weten we pas hoe we erover moeten praten als we oud zijn, vaak en alleen als het te laat is). Het is deze specifieke pijn die elke regel vult van wat anders een bedrieglijk eenvoudig verhaal zou zijn van een man die vroeg wakker wordt om een koud huis op te warmen door een vuur aan te steken. Zoals ik een paar jaar geleden schreef over de eerste twee strofen (hieronder volledig weergegeven):
Ook op zondag stond mijn vader vroeg op en trok zijn kleren aan in de blauwzwarte kou, waarna hij met gebarsten handen die pijn deden van de arbeid in het doordeweekse weer de oevervuren laaide. Niemand heeft hem ooit bedankt.
De eerste zin is één lange, nostalgische uitademing, waarvan de zwakke ritmes verborgen zijn in de regeleinden die ons van kou en duisternis naar licht en hitte leiden. En als deze eerste zin ons onmiddellijk en op resonante wijze lokaliseert in een plaats en een tijd, onthult de tweede zin, hoe kort deze ook is, alles wat we moeten weten over de hoofdpersoon van het gedicht.
Ik werd wakker en hoorde de kou versplinteren en breken. Als de kamers warm waren, belde hij, en langzaam stond ik op en kleedde me aan, uit angst voor de chronische woede van dat huis,
Terwijl de spreker van het gedicht door de tweede strofe naar boven komt, stijgt er een spanning bij hem, die culmineert in de centrale zin van de strofe: ‘de angst voor de chronische woede van dat huis.’ Het is deze toon van onenigheid, deze complicatie, die de mogelijkheid van een oplossing uitnodigt…
Het zijn de laatste twee regels die ‘Those Winter Sundays’ bevestigen in het pantheon van grote Amerikaanse gedichten, een zin die zo origineel en toch zo eenvoudig is, onmiddellijk herkenbaar voor iedereen die ooit die zoete, tedere en hartverscheurende afstand heeft gevoeld die onvermijdelijk ontstaat tussen een ouder en een kind, ‘een universele pijn, een soort spijt die ieder van ons uiteindelijk in het leven moet tegenkomen.’ En let op de herhaling in de voorlaatste regel, waarbij louter zelfbeschuldiging wordt verheven tot een bijna mythische klaagzang:
Wat wist ik, wat wist ik van de sobere en eenzame ambten van de liefde?
Lees hier het volledige gedicht.
(Of koop het boek.)